Meertaligheid: de superkracht die we onderschatten
Werkgroep Gelijke Kansen
Voor ons gaat dat over meer dan foutloos Nederlands spreken, veel talen kennen of moeilijke woorden gebruiken. Soms zit taalvaardigheid niet in moeilijke regels, maar in heel alledaagse dingen: op het juiste moment aanvoelen naar welk woord iemand op zoek is, iets zo uitleggen dat iemand je meteen begrijpt, of snel tussen talen switchen wanneer mensen elkaar niet verstaan. Een vertaler die ervoor zorgt dat twee mensen elkaar begrijpen, een vriend die de juiste woorden zoekt (en vindt!) om iemand gerust te stellen of een jongere die z’n anderstalige ouders helpt om een complexe brief te ontcijferen: ook zij zetten taal in om iemand anders verder te helpen.
Voor de meesten onder ons is taal zo vanzelfsprekend dat we amper stilstaan bij wat ze allemaal mogelijk maakt. Tot we elkaar plots niet meer begrijpen. Een nieuwe leerling die nog maar weinig Nederlands spreekt, kan zich op zijn eerste schooldag behoorlijk verloren voelen. Dan kan één klasgenoot die dezelfde thuistaal spreekt al een groot verschil maken. Die helpt hem zijn weg te vinden op school, legt uit wat er in de klas gebeurt en zorgt ervoor dat hij makkelijker aansluiting vindt bij de groep. De taal die hij van thuis kent, helpt hem zo zijn plek te vinden in een omgeving die nog helemaal nieuw is. Dat is toch ook taalvaardigheid?
Goed Nederlands leren blijft belangrijk, maar daarvoor hoeven andere talen niet naar de achtergrond te verdwijnen. Het hoeft geen of-ofverhaal te zijn. We kunnen het Nederlands van jongeren versterken en tegelijk ruimte geven aan de talen die ze al kennen. Die talen kunnen net helpen om nieuwe dingen te begrijpen, te leren, contact te maken en deel te nemen.
Toch waarderen we niet elke vorm van meertaligheid op dezelfde manier. Wie Nederlands, Frans en Engels spreekt, is al snel een ‘taalvaardige leerling’. Maar spreek je Turks, Arabisch en Nederlands? Dan zou er weleens op je rapport kunnen staan dat je een taalachterstand hebt. Waarom zien we de ene combinatie van talen als een troef en kijken we bij de andere vooral naar wat iemand nog niet kan?
Ook thuis volgt taal zelden strakke lijnen. Ouders kunnen bewust Nederlands én hun moedertaal met hun kinderen spreken. Kinderen mengen talen, nemen woorden van elkaar over en brengen soms Nederlandse woorden mee naar huis die hun ouders nog niet kennen. Mensen leren taal niet alleen op school, maar ook thuis, aan tafel, onder vrienden en gewoon door met elkaar te praten.
Taal draait niet alleen om leren en begrijpen. Er zit ook een stuk cultuur in. De taal die je thuis spreekt, draagt verhalen, humor, uitdrukkingen en gewoontes met zich mee. Wie bepaalt dat een taal maar op één bepaalde manier geleerd of gebruikt mag worden, dreigt dat stuk naar de achtergrond te duwen. Terwijl net die wisselwerking tussen talen ook deel uitmaakt van hoe mensen taal leren en gebruiken.
Voor ons is een taalheld dus iets anders dan voor de Vlaamse Regering. Natuurlijk kan dat iemand zijn die sterk is in het Nederlands. Maar evengoed iemand die vlot tussen verschillende talen schakelt, iets ingewikkelds helder uitlegt, de juiste woorden vindt wanneer een ander ze niet vindt of met taal iemand helpt om mee te kunnen. Voor ons zit de superkracht van een taalheld niet alleen in hoe goed die een taal beheerst, maar vooral in wat die ermee doet.