Middelen bovenlokaal jeugdwerk
De Vlaamse Regering maakt 1 miljoen euro extra vrij voor bovenlokaal jeugdwerk voor kinderen en jongeren in een maatschappelijk kwetsbare positie of met een handicap. Dat is een belangrijke stap. Maar de organisaties zelf geven aan dat er 4 miljoen euro extra nodig is. Zonder voldoende middelen dreigen werkingen hun aanbod af te moeten bouwen en minder kinderen en jongeren te bereiken.
Door het nieuwe Jeugddecreet kunnen meer jeugdwerkingen subsidies krijgen. Zo steeg het aantal erkende werkingen voor kinderen en jongeren in een maatschappelijk kwetsbare positie van 7 naar 19. Goed nieuws, want zo krijgen meer kinderen en jongeren toegang tot jeugdwerk.
Maar het budget groeide niet even snel mee. Bij die werkingen daalt het gemiddelde subsidiebedrag per organisatie met ongeveer 47.000 euro. Dezelfde pot geld moet dus over veel meer organisaties verdeeld worden. Tegelijk besparen verschillende lokale besturen op jeugdwerk, waardoor de druk nog groter wordt. Daarom vragen we Vlaanderen om extra te investeren en lokale besturen aan te moedigen hetzelfde te doen.
Veel papierwerk, weinig middelen
Ook de manier waarop organisaties extra subsidies moeten aanvragen, kan beter. Een beleidsnota schrijven kost heel veel tijd voor organisaties. Toch krijgen sommige organisaties na zo'n uitgebreid proces minder dan 50.000 euro extra.
“We hadden beter jaarlijks een benefiet georganiseerd, dat ging leuker zijn, en we gingen evenveel middelen hebben, die we achteraf niet meer moesten verantwoorden.”
Als er te weinig geld beschikbaar is, moet ook de aanvraag eenvoudiger worden. Zo kunnen jeugdwerkers hun tijd vooral investeren in wat telt: werken met kinderen en jongeren.
Beoordeel plannen op wat ze waard zijn
Tot slot vragen we meer transparantie. Adviescommissies beoordelen de plannen van jeugdwerkorganisaties, maar moeten daarbij nu ook rekening houden met het beperkte beschikbare budget. Daardoor kan een sterk plan een positief advies krijgen, zonder de bijhorende middelen die nodig zijn om die plannen uit te voeren.
Daarom vragen wij dat commissies eerst onafhankelijk bepalen hoeveel een plan volgens hen waard is. Daarna is het aan de minister om te beslissen hoeveel geld er effectief beschikbaar is. Zo wordt ook duidelijk hoeveel middelen het bovenlokaal jeugdwerk echt nodig heeft.